Oma Klosse.

Oma Klosse; Mijn jonge jaren aan de Lichtmis


Mijn oma, de moeder van mijn moeder, schreef voor haar kinderen, klein- en achterkleinkinderen in 1983 een boekje over haar jeugd. Ik kreeg ook een exemplaar.
De tekst uit het boekje heb ik integraal overgenomen op deze pagina.
Ook zie je de foto's uit het boekje.


Op een warme woensdagmiddag, de 27e juni 1907, ben ik geboren.
Mijn moeder was wel een beetje verrast, zij had mij pas een week later verwacht. Mijn vader had eigenlijk op een zoon gerekend, er waren al twee dochters en één zoon. Een andere zoon was maar zes weken oud geworden. Dat was Jan, daar ben ik dan naar genoemd, vandaar mijn naam Jantina.

Ik groeide voorspoedig op. Mijn broer Hendrik was de oudste en moest, als mijn moeder het erg druk had, mij nog wel eens in slaap wiegen. Later heeft hij mij dikwijls verteld, hoe hij mij de ogen dichtdrukte als ik niet gauw genoeg in slaap viel. Maar hij was dan nog niet bij zijn vriendjes of ik huilde alweer.

De Lichtmis waar mijn ouderlijk huis stond, was een kleine buurtschap, dat behoorde tot de gemeente Staphorst. Bijna alle mensen, die daar woonden, was familie van ons.
Ons huis was aan een sluis van de Dedemsvaart gelegen. Het was een groot, wit huis met daarin een café gevestigd. Later kwam er ook een slagerij bij. De schippers, die door de sluis kwamen, deden inkopen bij ons.

Ik kan me nog goed herinneren hoe het café er uit zag.
De gelagkamer, zo noemden we dat, had een houten vloer. Daar waar de stoelen en tafeltjes stonden, was de vloer geverfd. Het overige deel was blank geboend en werd door mijn moeder geregeld met mooi wit zand bestrooid.
Bij de grote kolomkachel stond de stamtafel met daaronder de spuwbakjes, de z.g. kwispeldoors. Dat waren driehoekige houten bakjes, van buiten rood geverfd, van binnen blank geboend en gevuld met wit zand. De meeste bezoekers gebruikten namelijk pruimtabak.
Als het koud was, zetten zij hun klompen naast de kachel, hun voeten op de stang rondom de kachel. Zo werden ze onder het genot van een kop koffie of iets anders weer lekker warm. Een kop koffie kostte toen 3 cent.

Het waren veelal de scheepsjagers, die daar zaten. In de tijd dat de schepen in de sluis lagen om te schutten, werden de paarden van de scheepsjagers bij ons op stal gezet, waar ze gevoerd werden. Ze kregen dan 3 pond voerbrood of haver, wat bij ons te koop was.
Als het schip geschut was, waarschuwde de schipper met zijn toeter. Dan werden de sterke verhalen onderbroken en de paarden weer van stal gehaald.
Er was één scheepsjager, die extra graag een borrel lustte. Hij had een klein, mager paardje. Dat was niet zo'n wonder, want als hij het dier op stal had gezet, ging hij op zijn knieën liggen en zei dan: "Kruis of munt, ik een borrel of jij haver". Het paard verloor natuuriijk altijd ...

Mijn oom Willem, was een broer van mijn moeder. Hij was de sluismeester. Daarnaast woonde oom Hendrik, ook een broer van mijn moeder. Hij had ook een café, daarbij ook een kruidenierswinkel, waar de mensen uit de buurt en de schippers hun boodschappen deden. Omdat de tram van Zwolle naar Dedemsvaart daar ook stopte, kon men daar pakjes afgeven.
Tegenover ons woonde een zuster van mijn moeder.Haar mans taak was de weg te onderhouden van de LLchtmis tot Hasselt; ook een stuk weg naar Dedemsvaart viel onder zijn beheer. De man had als bijnaam "Slenterbroek".

Toen ik 5 jaar was, ging ik met de "groten", mijn zusters Gees en Wim, naar de school in Rouveen. Dat was een openbare school, een z.g. statenschool. Er was al een gereformeerde school en toen er een school met de bijbel bij kwam, ging dat ten koste van onze school.
Op het laatst waren er nog maar 10 of 11 kinderen op met l onderwijzer. Als er nog maar 9 leerlingen waren zou de school worden gesloten. Vandaar dat we nog wel eens een kind in huis hadden van ouders die b.v. verhuisd waren. Tenslotte waren er toch te weinig en ging de school dicht.
Toen moesten wij naar de school op de Meele, een heel eind lopen voor de kinderen uit onze buurt. Mijn moeder was een echte voorvechtster van de openbare school, maar omdat ze kennis van de bijbel toch wel erg belangrijk vond, hield ze voor de kinderen van de Lichtmis en Rouveen "zondagschool".
Als ik aan mijn moeder denk, zie ik haar nog zo zitten, in haar spaarzame vrije tijd altijd lezend. Mijn vader was veehandelaar. Het cafébedrijf lag hem helemaal niet, dat liet hij aan mijn moeder over.

Iedere donderdag en vrijdag ging hij op de fiets naar Zwolle.Donderdags was de "voor-"markt. Vrijdags de gewone markt.
Als hij vroeg thuis was, had hij goede zaken gedaan. Was hij laat, dan was de handel slecht en was hij ook niet goed gehumeurd.
Gelukkig dronk hij niet, zoals zoveel anderen, die dan hun verlies nog groter maakten.
Als mijn vader 's zondagsavonds de dieren had verzorgd, was het altijd heel gezellig bij ons thuis. We zaten dan met z'n allen in de woonkeuken; ik noemde het ons zanguurtje.
Mijn vader gezeten op twee stoelen met de voeten in de oven van het fornuis, mijn kleine zusje Koba bij mijn moeder op schoot en mijn zusters Gees en Wim en ik rond de tafel. Wij zongen dan allerlei liedjes terwijl mijn broer Hendrik ons op het orgel begeleidde.
Tegen de tijd dat de rusttijd om was, zei mijn vader: "dat was mooi" en dan kwam er achteraan: "haal mijn stok maar op". Dat was voor één van ons het sein om zijn stok te pakken om daarmee een worst van de zolder te prikken. Reken maar dat dat smullen was...

Mijn grootouders van vaderszijde bewoonden het huis, dat naast het onze stond.
Toen ik l2 jaar was en van school af was, besloten mijn ouders, dat ik naar mijn grootmoeder moest om het naaien te leren. Thuis was ervoor mij geen werk, mijn oudere zussen waren ook al thuis.
Mijn grootmoeder kon heel goed naaien, breien en haken, de boeren uit de omtrek kwamen bij haar met een lap in een sloop verpakt en daar maakte zij dan broeken en hemden van. De broeken hadden een klap van voren, want ritsen waren er toen nog niet. De hemden waren van gestreept katoen en helemaal gevoerd. Dat katoen was erg stug en dus was het zwaar werk.

Ook borstrokken maakte ze, die hadden een dubbele rij knopen van voren, zo heb ik wel knoopsgaten leren maken. Verder naaide ze ook voor de winkel van Harm Vloedgraven. Als grootmoeder wat klaar had, mocht ik het op de fiets wegbrengen. Dat was voor mij een groot feest. Van grootmoeder kreeg ik een paar pepermuntjee mee voor onderweg en van Vloedgraven een paar centen voor de moeite. Zo was mijn dag weer goed..

Met, mijn "oude Okkie", zo noemde ik mijn grootmoeder, heb ik veel plezier gehad. Ze was heel klein en liep erg moeilijk, ze was mank. Ondanks dat, had ze een opgeruimd karakter in tegenstelling tot mijn grootvader. Zij maakte dan ook altijd lol als hij er niet bij was.
Ik kookte daar ook wel eens. Toen ik op een dag spek uit moest bakken om bij de sla te eten, heb ik zo veel spek "geproefd", dat er bijna niets over bleef. Okkie heeft toen aan grootvader verteld, dat de kat erbij had gezeten. Anders had hij vast gemopperd.
Vrijdags moest ik met de ragebol buitenom de ramen doen. Op een vrijdag net voor Pasen, hadden Okkie en ik weer eens een lachbui. Grootvader zat op zijn plaatsje aan de tafel voor het raam en oude Okkie tegenover hem. Omdat grootvader weer eens uit zijn humeur was, ging ik. naar buiten om de ramen te doen. Ik besloot goed mijn best te doen en ook de kozijnen mee te nemen en niet naar Okkie te kijken om niet meer te hoeven lachen. Maar toen ik Okkie rare gezichten tegen me zag trekken, wou ik vlug de ragebol er voor houden, waarbij ik door de ruit stootte. Grootva was natuurlijk erg kwaad en stuurde me voor straf naar de schilder in den Hulst, zodat die de ruit kon komen vernieuwen. Het was voor mij geen straf, want ik vond het maar wat fijn op de fiets te kunnen stappen.

Mijn grootvader hield op zijn oude dag een oogje op het vee van de baron van Dedem.
Daar kreeg hij dan eens in het jaar een kleinigheid voor.
De baron en de barones woonden in een prachtige villa. De arbeiders van de baron werden niet best betaald. De barones was een lieve vrouw. Ze gaf aan arme, zieke mensen gratis huismiddeltjes om ze beter te maken. Vooral haar middeltjes tegen zweren waren bekend.
Zoiets deed ook mijn moeder. Die werd overal bij gehaald als er moeilijkheden waren. Zo heeft ze veel bij bevallingen geholpen, vooral bij schippersvrouwen die in de sluis lagen. De vroedvrouw en de dokter woonden nog al ver van de Lichtmis af.
Koken kon ze heel goed en we moesten vaak een pannetje soep naar een zieke brengen.

Dat waren zo de gebruiken van die tijd. Zo was het bijvoorbeeld bij ondertrouw de gewoonte dat het a.s. bruidspaar samen op de fiets de familie en bekenden afgingen. Het a.s. bruidspaar vertelde daarbij dan, dat ze "onder de geboden stonden" en nodigde de mensen dan uit voor de bruiloft.
Bij elk bezoek gebeurde het volgende:
De bruid had bij zich, een gebloemd sloop en pakte daaruit een gevulde koekjestrommel, suiker, rozijnen, een lepeltje en borrelglazen. De bruidegom haalde dan uit zijn sloop een fles jenever, een fles brandewijn en een fles mede(zoete wijn). Samen ging men dan om de ronde tafel zitten en men koos uit waar men dan zin in had.
Bij een huwelijk was het de gewoonte, dat de jongens uit de buurt 's nachts een boog maakten. Zo kan ik me nog een boog herinneren, waaraan een bordje hing: "Geld wat stom is, maakt recht wat krom is". Dit betrof het huwlijk van een jongen met een rijk maar gebocheld meisje. De jongen, die "moest trouwen" had daar helemaal geen zin in, maar werd door de houding van de buurt er wel toe gedwongen.

Bij overlijden waren er ook bepaalde regels, waarbij vanzelf de buurt ingeschakeld werd.
Vaak was het mijn moeder ( de buurt noemde haar Lummie) die de overledene ging wassen en kleden. Tenminste als de overledene een vrouw was.
De overledenen kregen een lang wit hemd aan en gebreide kousen, die al lang voor gebruik gereed lagen. De mannen kregen een slaapmutsje op met een lange kwast. De vrouwen kregen een wit, katoenenmutsje op.
De volgende dag werd de dode door de buren in de kist gelegd, die door de dorpstimmerman werd gemaakt. Daarna kreeg men een borrel aangeboden. Vervolgens werd er één van de luiken voor het raam weggehaald en er naast tegen de muur gezet. Zo konden ook buitenstaanders zien, dat er iemand gestorven was.

Er waren nog andere vormen van burenhulp, waar ik nog met plezier aan terugdenk.
Dat was in de tijd van het bonen inmaken. Wij, dat wil zeggen alle jonge meisjes uit de buurt, kwamen dan bij de één dan bij de ander 's avonds bij elkaar en gingen rondom de tafel zitten met daarop een berg bonen. De grootste meisjes moesten de draden afhalen en de jongsten braken de bonen door. De snijbonen werden met de hand gesneden.
Onderwijl werd er naar hartelust gezongen of er werd een verhaal voorgelezen.
Het hoogtepunt van de avond was, de traktatie die bestond uit warme chocolademelk met koek.

Later in de herfst moesten we appels schillen, die daarna werden gedroogd.
Zo kwam het denk ik, dat eenzaamheid in die tijd niet bestond.
Terugdenkend aan die tijd is het net of er 's winters altijd ijs wast zodat we veel konden schaatsen.

De woensdag werd de loopdag genoemd. Dan reden de jongens vaak met de hand op de rug en aJ een meisje zo'n jongen wel leuk vond legde zij haar hand in de zijne en legde soms ook haar hand weer op haar rug. Zo vormden zich dan hele rijen (slierten) en natuurlijk ook paartjes. Het hele gebeuren was dan heel feestelijk.
Hier en daar stonden dan kraampjes met chocolade- en anijsmelk, ook stonden er tentjes, waar je je schaatsen kon laten maken. Want hak of teenbanden braken wel eens.

Het hele jaar door keek ik altijd uit naar die ene dag in de grote vakantie. Dat was de zogenaamde "nichtjesdag". Dan mochten alle nichtjes van ons komen. Ze werden gehaald en teruggebracht door mijn vader met de dresseerkar. Dit was een klein, rond wagentje met bankjes erin. Natuurlijk getrokken door een paard. Van te voren maakte mijn vader een wip-wap en een schommel.
Het hoogtepunt van de dag was wel: eten koken voor onszelf op een klein, maar heel echt fornuisje, eens gekocht door mijn vader op de markt.
We gingen dan met z 'n allen naar de winkel om voor "onze" maaltijd inkopen te doen. Van te voren hadden we overlegd wat we zouden koken. Nu, ruim 60 jaar later, praten mijn nichtjes er nog wel eens over.

Toen ik 14 jaar was, vond mijn moeder dat ik goed genoeg kon naaien. Omdat mijn tante een baby verwachtte, moest ik daar een tijdje naar toe. Nu had ik echt een baantje en verdiende fl 1.5O per week. Druk was het wel, ik werkte er alle dagen en ook 's zondagsmorgens nog. Maar, vooral toen de baby er eenmaal was, had ik er het best naar m'n zin.
Met Nelly, zo heette de baby, haalde ik graag grapjes uit. Toen mijn tante eens een dagje uit was heb ik Nelly helemaal met chocolade ingesmeerd om er een negerinnetje van te maken.
Van mijn tante kreeg ik op mijn verjaardag echte lakschoenen. Wat was ik er trots op, maar durfde ze niet aan mijn vader te laten zien. Toen ik ze eindelijk toch thuis een keer aan had, zag hij het meteen, draaide zijn hoofd om en zei: "wat opschepperig".

Mijn zus Willempje, we zeiden altijd Wim, die 2 jaar ouder was dan ik, was erg jaloers op mijn mooie schoenen. Zij kreeg dan ook later een paar van mijn moeder. Wij droegen in die tijd altijd zwarte kousen, maar eigenlijk hoorde je als je zulke schoenen droeg ook van die mooie, moderne beige kousen te dragen, vonden wij. Toen Wim en ik dan ook een keer in Zwolle waren, kochten we allebei een paar gekleurde, dus beige, kousen. We waren er erg blij mee, maar thuis durfden we ze niet laten zien.
Gingen we nu naar een toneeluitvoering of naar dansles in den Hulst, dan trokken we ze onder de zwarte kousen aan. Onderweg gingen dan de zwarte kousen weer uit. Toch kwamen mijn ouders erachter dat we dat en toen "lichte kousen" droegen, want onze oudste zus Gees had bij een toneeluitvoering gezien dat we van die moderne kousen aan hadden. ...

In die tijd kwamen er grote veranderingen thuis. Broer Hendrik en zus Gees gingen trouwen.
Hendrik zou het café van mijn vader overnemen. Omdat hij in Zwolle het slagersvakdiploma  had gehaald, werd er een slagerij bijgebouwd.
Mijn ouders bouwden "nieuw" aan de Rollecate verderop richting den Hulst. Mijn grootouders gingen ook mee, daar werd met de bouw al rekening mee gehouden. Mijn zus Willie ging mee naar de Rollecate om mijn moeder te helpen en mijn broer Hendrik vroeg mij hem te komen helpen in de huishouding van mijn schoonzuster Aaltje en in de slagerij.
Aaltje werkte graag op de boerderij, dus waren de taken goed verdeeld.

's Maandags werden er één of twee koeien en varkens geslacht. We maakten zelf worst, hoofdkaas en balkenbrij. Omdat er accijns betaald moest worden, werden de koeien eerst aangegeven op het gemeentehuis. De accijns werd geheven naar de waarde van de koe. Hoe lager je de koe aangaf hoe minder je hoefde te betalen.

Als de ambtenaar vermoedde dat er te laag aangegeven was, kwamen 2 mensen w.o. 1 keurmeester om het aangegevene "te benaderen", dat wou zeggen : even kijken of er wel eerlijk spel gespeeld werd. Konden mijn broer en de man van de wet het niet eens worden, dan werd het vlees publiekelijk verkocht. Dat gebeurde maar zelden.

Niet alleen voor de plaatselijke handel kochten mijn vader en Hendrik koeien, varkens en kalveren op, maar ook voor export werd er gekocht en geslacht. Het uitgebeende vlees werd in manden verpakt en naar het station Dedemsvaart gebracht.
Vaak werd er in die tijd 's nachts doorgewerkt door mijn broer en zijn knecht. Om een beetje warm te blijven stonden ze dan op grote warme stoven...
Op den duur werd het te druk en Hendrik verhuurde zijn slagerij om alleen met zijn café verder te gaan. Uit die tijd kan ik me ook nog herinneren, dat zij als eersten elektrisch licht kregen. De aanleg kostte niet veel, omdat het de bedoeling was er voor reclame te maken.

Ik had het heel fijn bij Hendrik en Aaltje en helemaal toen ook daar een baby kwam; de kleine Lumina, genoemd naar mijn moeder. Heerlijk vond ik het om Lumina voor mij alleen te hebben. En die kans deed zich nog wel eens voor op zondag.
De ene zondag ging ik naar mijn ouders op de Rollecate, de andere zondag kwam zus Wim bij mij aan de Lichtmis. Op zo'n zondag konden Hendrik en Aaltje eens uit, meestal naar mijn ouders of de ouders van Aaltje. Samen met Wim kleedde ik Lumina uit en aan, kamde haar haartjes soms op de vreemdste manieren. Daar gebruikten we wel eens kokosvet voor, zo kon je er van alles mee doen, vlechtjes, staartjes, gekke pieken enz.
Eenmaal tijdens ons vermaak, viel het kind van de tafel. Ze kreeg een dikke bult op het voorhoofd. Wat had ik een spijt. En die bult konden we niet verdoezelen.

Als ik uitging, werd het 's avonds wel eens laat. Ging mijn broer eerder naar bed dan ik werd terug verwacht, dan zette hij een emmer achter de deur. Maar ik leerde al gauw de deur zo open te doen, dat hij de zinken emmer niet hoorde schuiven.
Uit die tijd is de brief van mijn moeder voor mijn 18e verjaardag. Lees hem maar!
(Klik op een foto voor een vergroting)

Jullie hebben al wel gelezen en begrepen, dat de band met mijn familie hecht was en dat ik veel met mijn zuster Wim optrok.
Samen oppassen, naar dansles en de toneelclub in den Hulst. Doordat we al vroeg allebei een vaste vriend hadden, was het niet zo erg om zo'n eind naar huis terug te fietsen. We werden altijd wel thuis gebracht.
En zo gingen mijn jonge jaren voorbij tot het jaar waarin ik 21 werd en trouwde met mijn vaste vriend, jullie vader en grootvader.

 

Apeldoorn, voorjaar 1983
Jantina Klosse-Waanders

 

Naar het tweede boekje van oma Klosse

Naar In Memoriam Oma Klosse

Naar Levensloop (Bart)